InstallationInteractive

installationinteractive

Uitvoeringen

Geen uitvoeringen gepland

“NoaNoa ontsproot uit de ideeën die ik voor fluit ontwikkelde tijdens het werken aan de muziek voor het ballet Maa. Ik wilde bepaalde fluitmaniërismen neerschrijven, overdrijven, zelfs misbruiken, die me al jaren achtervolgden, en zo wilde ik naar iets nieuws groeien. Op het vormelijke vlak experimenteerde ik met een idee om tegelijkertijd verschillende elementen te ontwikkelen, eerst sequentieel en dan over elkaar. De titel refereert aan een houtsnede van Paul Gauguin met NoaNoa als titel.Hij refereert ook aan een reisdagboek van die naam, geschreven door Gauguin, toen hij tussen 1891 en 1896 Tahiti bezocht. De tekstfragmenten die voor de stem werden geselecteerd komen uit dit boek. NoaNoa is ook een teamwerk. Veel details in het fluitgedeelte werden uitgewerkt met Camilla Hoitenga. Het electronische deel werd ontwikkeld onder toezicht van Jean-Baptiste Barrière en geprogrammeerd door Xavier Chabot.”
“Six Japanese Gardens is een verzameling impressies van de tuinen die ik in Kyoto zag tijdens mijn verblijf in Japan in de zomer van 1993 en mijn destijdse reflectie op ritme. Zoals de titel aantoont, bestaat het stuk uit zes delen. Elk deel geeft een specifiek beeld van een ritmische materie. Beginnend bij het simplistische eerste deel, waarin de hoofdinstrumentatie geïntroduceerd wordt, en gaat verder naar complexe polyritmische of ostinato figuren, of alternering van ritmisch en zuiver coloristisch materiaal. Het aantal instrumenten bespeeld door de percussionist werd bewust laag gehouden om ruimte te geven aan de perceptie van de ritmische ontwikkelingen. Tevens werden deze spaarzame kleuren aangevuld met een electronics deel, waarin we natuurgeluiden horen, rituele gezangen en percussieinstrumenten, opgenomen in het Kuntachi College of Music met Shiti Ueno. De vooraf gemixte secties worden getriggerd tijdens het stuk door de percussionist vanop een Macintosh computer. Om het vooropgenomen materiaal te bewerken en te mixen, gebruikte ik een Macintosh computer in mijn homestudio. Sommige transformaties zijn gemaakt met de resonantiefilters in het CHANT-programma, en met de SVP Phaser Vocoder. Dit werk werd verricht met Jean-Baptiste Barrière. De eindmix werd gemaakt met het Protoolsprogramma met de hulp van Hanspeter Stubbe Teglbjaerg. Het stuk werd geschreven voor Shinti Ueno, in opdracht van Kunitachi College of Music”.
“From the Grammar of Dreams (1988-‘89) ontstond uit mijn nieuwsgierigheid naar de relatie tussen de menselijke stem en muziekinstrumenten, een onderwerp dat ik vele jaren opzij had geschoven. Zoals de titel doet vermoeden, was de structuur van dromen een andere bron van interesse. Verscheidene ideeën rond het onderzoek naar dromen (zoals hoe ons bewegend lichaam onze dromen beïnvloedt, hun richting verandert of hen onderbreekt; zo is de harp in dit stuk een verzameling rusteloze ledematen, die met hun bewegingen de muzikale flow leiden) worden tijdens het componeren naar de achtergrond gedrongen, of worden in een pure muzikale vorm getransformeerd. Ook wilde ik naar een fusie in dit eerder heterogeen ensemble zoeken. Daarom is de muzikale textuur misschien iets eenvoudiger dan in andere stukken, en de meer radicale textuurveranderingen werden vervangen door vibrato’s, trillers, glissandi, dynamische evoluties en andere handelingen, hier als denkbeeldige matrices gebruikt, waardoor de instrumentale delen gefilterd worden. Het merendeel van de tekst is een collage van teksten van äul Eluard. Enkele langere fragmenten komen uit zijn gedicht “Premièrement” (“l’Amour la Poèsie”). From the Grammar of Dreams is opgedragen aan Jean-Baptiste Barrière. De eerste uitvoering vond plaats in Parijs op 23 maart 1989 door Ensemble l’Itinéraire met Esa-Pekka Salonen”.

Je sens un deuxième coeur (Another heart beats)
1. Je dévoile ma peau
2.    Ouvre-moi, vite!
3.    Dans le rêve, elle l’attendait
4.    Il faut que j’entre
5.    Je sens un deuxième coeur qui bat tout près du mien

“ Oorspronkelijk was de idee om muzikale portretten te ontwerpen van vier personages in mijn opera (“Adriana Mater”), maar toen ik het materiaal begon te herwerken in kamermuziekcontext, en meer geconcentreerd was op het ontwikkelen van ideeën rond het instrumentarium van het trio, groeide het stuk weg van de opera. Compositorisch startte ik van concrete, sterk geprofileerde ideeën maar ik evolueerde naar meer abstracte, puur muzikale concepten. Zo werd bijvoorbeeld de titel van het eerste deel, “Je dévoile ma peau”, een metafoor: het voorgestelde muzikale materiaal werd zo georchestreerd dat de individuele karakters van de drie instrumenten en hun onderlinge relaties onthuld werden. Het tweede en vierde deel startten beide vanuit de idee van fysiek geweld. In de context van dit trio werd het geweld omgezet in studies over instrumentale energie. Het derde deel is een kleurenstudie waarin de drie identiteiten in één complex klankobject worden versmolten. Het laatste deel brengt ons bij het aanvangspunt van mijn opera, opnieuw erg fysiek: de twee harten kloppend in het lichaam van een zwangere vrouw. Ik ben gefascineerd door de idee van de geheime relatie tussen een moeder en haar ongeboren kind. Muzikaal gezien zijn deze twee hartslagen, en hun voortdurend veranderende ritmische polyfonie, dikwijls een inspiratiebron geweest in mijn werk; nu voegde de verbinding tussen de twee geesten een nieuwe communicatielaag toe. Deze ideeën begeleidden de muzikale ontwikkeling over hoe intens duaal geconstrueerd materiaal gedeeld moet worden door de drie trio-instrumenten, en hoe dit groeit in de drie specifieke instrumentale karakters. Tenslotte werd de titel een metafoor voor het maken van muziek: is het niet met de ‘ander’ dat we willen communiceren door middel van onze muziek? Zoals voorgeschreven staat bij het laatste deel: Doloroso, sempre con amore”.
Lonh (1996) betekent “afgelegen” of “ver weg” in het Oud-Provencaals, waarin de tekst ook is geschreven. De tekst zelf, een gedicht over liefde van op afstand –een veelgebruikt thema in de middeleeuwse poëzie–, werd toegeschreven aan de middeleeuwse dichter Jaufré Rudel. In formeel opzicht volgt het werk de structuur van het gedicht, en is het verdeeld in negen secties. Sommige van de symmetrische en repetitieve aspecten zijn te horen in de zangpartij, maar die springt er nogal vrij mee om, zodat de uiteindelijke tekst meer een collage is op basis van het lied van Rudel. In de elektronicapartij is de tekst te horen in drie talen: Occitaans (Oud-Provencaals), Frans en Engels. De Occitaanse teksten werden ingelezen door Jacques Roubaud, die het gedicht intensief bestudeerde en het naar het Frans vertaalde, en ook door Julie Parsillé, een jong Frans meisje. De Franse versie werd ingesproken door Jean-Baptiste Barrière, en de Engelse tekst door Dawn Upshaw, wiens gezang ook onderdeel uitmaakt van de elektronicapartij.
Kaija Saariaho, 2004.
Concept : Jean-Baptiste Barrière
Muziek : Kaija Saariaho en Jean-Baptiste Barrière
Beelduitvoering : Pierre-Jean Bouyer
Video : Isabelle Barrière

From the Grammar of Dreams (solosopraan & elektronica) (2002)
Valérie Gabail, sopraan
Je sens un deuxième Coeur (av, vc, pno) (2003)
Marc Tooten (altviool), Stijn Saveniers (cello), Geert Callaert (piano)
NoaNoa (fluitsolo & elektronica) (1992)
Karin Defleyt, fluit
Six Japanese Gardens (solopercussie & elektronica) (1995)
Gaetan La Mela, percussie
Lonh (solosopraan en electronica) (1996)
Valérie Gabail, sopraan
Biografieën
Kaija Saariaho
Jean-Baptiste Barrière
Valérie Gabail

KAIJA SAARIAHO
De Finse componiste Kaija Saariaho (°1952) woont en werkt in Parijs sinds 1982. Ze studeerde compositie bij Paavo Heinninen aan de Sibelius Academie en later aan de Musikhochschule in Freiburg bij Brian Ferneyhough en Klaus Huber, en behaalde er haar diploma in 1983. In 1982 volgde ze cursussen in computermuziek aan het IRCAM in Parijs. Sindsdien werd de computer een belangrijk element in haar compositietechniek. In 1986 kreeg ze de Kranischsteiner Preis tijdens de zomercursus voor nieuwe muziek in Damrstadt, en de Prix Italia in 1988 voor haar werk Stilleben. In 1989 behaalde ze de Ars Electronica Prize met Stilleben en Io. Meer recent kreeg ze zowel de Nordic Prize (voor Lonh) en de Stoeger Award of the Chamber Music Society of Lincoln Center (als erkenning voor buitengewone verdiensten voor kamermuziek). In 2001 kreeg Kaija Saariaho de Rolf Schock Prijs (Zweden) en de Raske Prijs (Duitsland). Ze kreeg internationale erkenning met werken zoals Verblendungen (orkest en tape, 1982-1984), Lichtbogen voor kamermuziekensemble en electronics (1985-1986), Nymphea voor strijkkwartet en electronics (1987), een opdracht van Lincoln Center voor het Kronos Quartet, en twee met elkaar verbonden orkestrale werken Du Cristal en …à la fumée, die beide in première gingen in 1990 en 1991 in Helsinki en Los Angeles.Saariaho nam ook deel aan een aantal multimediaproducties zoals het full-length ballet Miaa (1991) en een pan-Europees samenwerkingsproject rond een CD-ROM over haar leven en werk.
Meer recente werken zijn een vioolconcert, Graal Theâtre, voor Gidon kremer, dat in première ging op de 1995 BBC Proms, en twee stukken voor Dawn Upshaw: een orkestrale liedercyclus, Château de l’âme, dat in première ging tijdens het Wien Modern Festival. In 1999 voltooide ze een groot werk voor koor en orkest, Oltra Mar, dat in première ging op 11 november 1999 met de New York Philharmonic en Kurt Masur als onderdeel van hun milleniumopdrachten.
Saariaho’s eerste opera, l’amour de loin, kreeg de prestigieuze Grawemeyerprijs voor muziek 2003. Met Salzburg Festival en Théâtre du Chatelet als opdrachtgevers is l’amour de loin gebaseerd op “La Vida Breve” van Jaufre Rudel, prins van Blaye, en één van de eerste grote troubadours van de 12de eeuw. Het libretto werd geschreven door de Frans-Libanese auteur Amin-Maalouf. L’amour de loin ging op 15 augustus 2000 in première op het Salzburg Festival in een regie van Peter Sellars en gedirigeerd door Kent Nagano. De productie werd opgezet in Théâtre du Chatelet en de Santa Fe Opera, en in 2001 werd er een nieuwe productie voorgesteld in Stadttheater Bern. De Duitse première vond plaats in Staatstheater Darmstadt in april 2003, en de Finse première in september 2004.
Na l’amour de loin schreef Kaija Saariaho een concerto voor fluit voor Camilla Hoitenga. Aile du Songe werd achtmaal uitgevoerd sinds zijn première in de herfst van 2001, en werd uitgebracht op het Naïve-label met het Finnish Radio Symphony Orchestra gedirigeerd door Jukka-Pekka Saraste. Net zo succesvol is haar strijkorkestwerk Nymphea Reflection (2001), opgedragen aan Christoph Eschenbach. In januari 2003 speelde The Cleveland Orchestra haar nieuw orkestwerk Orion voor het eerst met Franz Welser-Möst. Het orkest speelde het werk in Wenen in oktober 2003. In april 2003 gaven Karita Mattila en Tuija Hakkila de wereldpremière van Saariaho’s Quatre Instants voor sopraan en piano. In augustus ging de orkestrale versie van Quatre Instants in wereldpremière op het Tammisaari Festival en het Leipzig Gewandhaus.
In april 2004 brachten Emanuel Ax en vrienden de première van Je sens un deuxième coeur. Het trio ontleent zijn titel aan het libretto van Saariaho’s net voltooide opera, Adriana Mater, die in Opéra de Paris in première ging in maart 2006.

JEAN-BAPTISTE BARRIÈRE
Jean-Baptiste Barrière (° Parijs, 1958) studeerde muziek, kunstgeschiedenis, filosofie en mathematische logica.
Hij begon in januari 1981 als stagiair componist, en werd vervolgens eerst onderzoeker in het kader van de projecten Chant (stemsynthese met de computer) en Formes (controle van de synthese en compositie met de computer), later directeur van de cel Muziekonderzoek, verantwoordelijke van de Pedagogische Afdeling, en tenslotte in 1993 directeur Pedagogie en Creatie. Hij assisteerde tevens de componisten Morton Subotnick, Gérard Girsey, Jonathan Harvey en Harrison Birtwistle bij de totstandkoming van hun werken. Na een jaar compositie gedoceerd te hebben aan de Sibeliusacademie (Helsinki) verliet hij in 1998 het IRCAM om zich definiitef aan het componeren te wijden. Hij werkte samen met kunstenaars uit verschillende disciplines, zoals de cineast Peter Greenaway. Met zijn werk behaalde Barrière tal van prijzen, waaronder de Prix de la Musique Numérique du Concours International de Musique Electro-Acoustique van Bourges.

VALÉRIE GABAIL
Na haar studie, gewijd aan jazz en musical, vervolgde de sopraan Valérie Gabail, haar opleiding in Parijs bij Anne-Marie Rodde en vervolgens in New York bij Lorraine Nubar. Ook nam zij deel aan talrijke masterclasses voor oude muziek, in het bijzonder in de Abbaye van Royaumont.
Al snel daarna werd zij geëngageerd door de belangrijke barokensembles van dit moment. Zij zong de rol van Mérope (Persée van Lully) in het festival d’Ambronay, de rol van Blonde (Die Entführung aus dem Sérail), en die van Drusilla. Ze trad op met Marc Minkowski in Grenoble en Parijs, ze speelde in Papagena en Pamina in het Théâtre des Champs-Elysées met Jean-Claude Malgoire, ze speelde in Sémélé van Marin Marais in Brussel met Philippe Pierlot. Ze trad op in het T.C.E onder leiding van Charles Dutoit en in de Opéra de Montpellier in La Didone van Cavalli met Christophe Rousset. Ze maakte haar debuut in de Opéra Garnier in Platée van Rameau onder leiding van Marc Minkowski.
Valérie is ook actief in de kamermuziek en als soliste. Ze was te horen tijdens talrijke festivals met een repertoire dat o.a. Bach, Mozart, Couperin en Britten omvat. Zij wordt regelmatig uitgenodigd door Les Talens Lyriques, Israël-Camerata in Jeruzalem, het Ensemble vocal van Lausanne, Les Musiciens du Louvre (Wieland Kuijken) en het Ricercar consort.
Valérie is te horen op diverse cd’s, zoals in de Armide van Gluck op het label Archiv Production en in Les Pélerins au Sépulcre van J.A. Hasse, uitgebracht door Virgin Veritas, in Les Quatre Saisons van J.B. de Boismortier op het label K617 en in Une Soirée chez les Jacquin, Mozart, uitgebracht door Zig Zag Territoires.
Ze werkte reeds verschillende malen samen met HERMESensemble voor uitvoeringen van muziek van Kaija Saariaho (in 2005, op de vijfde verjaardag van het ensemble, en in september 2006 op het Klarafestival).
In februari 2006 werd ze genomineerd voor de prijs Victoires de la Musique Classique in de categorie “révélation lyrique de l’année”.

Uitvoeringen:
17 februari 2007
20u
Antwerpen, AMUZ

Vorige uitvoeringen

Geen vorige uitvoeringen