ArsMuscia2005

portrait-frederic-klein[1]

Uitvoeringen

Geen uitvoeringen gepland

HERMESensemble (i.s.m. CRFMW en CCA) onder leiding van Koen Kessels
In het kader van Ars Musica 2005

Solisten: Wibert Aerts, Geert Callaert, Mireille Capelle, David Cohen, Karin Defleyt, Dries Geeraert, Gaetan La Mela, Eliot Lawson, Peter Merckx, Guy Vandromme
– F. D’haene, Hearing from Nowhere, (fl, b-cl, vl, vc, pno, perc) [wereldcreatie]
– F. D’haene, Wozu Dichter – Millimètres, (fl, pno, vc, mezzo)
– T. Murail, Vues Aériennes, (hn, pno, vl, vc)
– T. Murail, Esprit des Dunes, (2 fl, hn, ob, cl, trb, pno, perc, vl, va, vc, cb, elek)

HERMESensemble is gekend – of berucht – voor het confronteren van verschillende muzikale stijlen met elkaar, en het kruisbestuiven van verschillende hedendaagse kunstdisciplines (muziek, film, video, elektronica, architectuur…). In het kader van het festival Ars Musica bracht het ensemble onder leiding van artistiek directeur Koen Kessels echter een programma, dat uitsluitend gewijd is aan zeer actuele muziek; op 14 maart 2005 bracht het in de Blauwe Zaal van deSingel een programma met enerzijds werken van de Vlaamse toondichter Fréderic D’haene, anderzijds van de Franse hedendaagse meester Tristan Murail.

Frédéric D’haene (°1961) is vanuit zijn opleiding muzikaal verwant aan Frederic Rzewski en Walter Zimmermann, maar kreeg ook les van Henri Pousseur en Vinko Globokar. Zijn schrijfstijl en partituren hebben de reputatie zeer complex en moeilijk toegankelijk te zijn; van de musici wordt gevraagd minstens tot het uiterste van hun kunnen te gaan. Deze reputatie geldt zeker voor het werk “Hearing from Nowhere (part 2)”. Het is een sextet voor piano, viool, cello, fluit, basklarinet en percussie, geschreven in 2000, dat echter nog nooit gecreëerd werd omwille van de complexiteit van de partituur. HERMESensemble onderhoudt een persoonlijke relatie met de componist, en wil zich onder zijn begeleiding toch wagen aan een eerste uitvoering. Frédéric D’haene beschrijft de bedoeling van “Hearing from Nowhere” zelf als volgt: “In de loop van het stuk wordt de muzikale stroom viermaal onderbroken door momenten van absolute stiltes, benoemd als ‘nowhere’ in de partituur. Uit deze gene toestanden vloeit de drone van het stuk, hier de re, die afwisselend wordt geleed door modale of spectrale samenklanken. Aldus ontstaat een vrij immobiele laag, niettemin qua kleur voortdurend statisch gevarieerd. Boven deze laag worden verscheidene ritmische texturen, blokken en massa’s gesuperponeerd, omweven met atonale lagen, die technisch zeer veel eisen van de musici. De registratie en polarisatie van deze atonale lagen wordt bepaald door modale intervallen, die terzelfdertijd dienst doen als as voor (symetrisch en assymetrisch) gespiegelde intervalreeksen. De coëxistentie van deze meerdere harmonische dimensies vindt men ook terug op het vlak van het tempo, er heerst een voortdurende gelijktijdigheid van een constant tempo en veranderlijke tempi. In ‘Hearing from nowhere-part 2′ werd aldus – en dit na verschillende stadia- een techniek op punt gesteld van paradoxale tooncoëxistenties. De (on)logica van de paradox fungeert als een kompas binnen de plurale contradicties, waarin de actuele compositie zich nog steeds bevindt”.
Naast het sextet wordt een kwartet van D’haene gebracht, dat veel transparanter en rustiger klinkt; “Wozu Dichter Millimètres” uit 1992. De componist schrijft hierover: “In de lange elegie ‘Brot und Wein’ uit 1802 van Hölderlin, ontstaat op een gegeven moment twijfel en onrust, dat inzet met het vers ” Wozu Dichter in dürftiger Zeit”. Twee eeuwen later confronteert deze vraag op een nog steeds dwingende manier de kunstenaar met de (on)zin van zijn werk en het bewustzijn van de tijd waarin hij leeft. Niettemin wordt het gewicht van deze vraag lichter gemaakt (millimètres) door verschillende gezongen, gesproken en gefluisterde fragmenten uit ‘ le livre de l’intranquilité’ van Fernando Pessoa, rond het vers ‘l’ennui, c’est la sensation physique du chaos’. Deze twee teksten, met totaal verschillende inhoud, worden muzikaal met elkaar verbonden volgens een explorerend concept van de meta-collage, door Stockhausen geïntroduceerd in het begin van de jaren ’70.
Deze exploratie geldt niet alleen voor de tekstcombinaties maar ook op het vlak van de klank, het ritme,als in de uitwerking van de harmonie ,waarin bijvoorbeeld een interval een tonale betekenis heeft, maar terzelfdertijd wordt geïntegreerd in een atonaal netwerk”.

In het tweede deel van het concert wordt werk gepresenteerd van een heel andere toondichter, de Fransman Tristan Murail (°1947), een gevestigde waarde binnen het Parijse centrum voor qctuele muziek IRCAM. De complexiteit ligt bij Murail niet zozeer in de technische moeilijkheid, dan wel in het delicate samenspel waarbij bijzonder muzikale kleuren en contrasten ontstaan. Naast een kleiner kamermuziekwerk –“Vues Aériennes” uit 1988 voor hoorn, piano, cello en fluit- staat het monumentale meesterwerk “Esprit des Dunes” (1994) op het programma. Woestijnen hebben steeds een bijzondere aantrekkingskracht op Murail uitgeoefend. Hijzelf heeft er meerdere doorkruist, en in zijn werk duiken er geregeld beelden op die ernaar verwijzen. In “Esprit des Dunes” wordt de woestijn zowel om zijn psychologische betekenissen als zijn technische analogieën gebruikt. Hoedanook beslaan de analogieën een prisma van convergenties tussen bepaalde eigenschappen van Murails muziek en het werk van een groot aantal andere artiesten, maar ze refereren evengoed naar de oorsprong van het voor een stuk gebruikte materiaal. Voor de eerste maal wordt er in het werk van Murail expliciet gealludeerd op muziek uit ander culturen; het klankmateriaal dat in het werk resulteerde is een fragment uit traditionele muziek uit Mongolië en Tibet, twee streken die elk op hun manier getekend zijn door woestijnen; Mongolië door de Gobi-woestijn en Tibet door zijn berg- en rotsachtige en amper bewoonde gebieden.
Het werk draagt een dubbele opdracht “aan de herinnering van Giacinto Scelsi en Salvador Dalí”; de bijzondere aandacht die Scelsi schonk aan het innerlijke leven der klanken vindt een weerklank in de complexe evolutie van melodie en klankkleur die voortkomt uit de individuele hoogtes van de Mongoolse harmonische zangtechniek. De opdracht aan Dalí is echter geen allusie op de talloze evocaties van de weidse uitgestrekte woestijnachtige vlaktes van vervreemding die men zo vaak in Dalís werken aantreft, maar refereert aan “Visions de Haute Mongolie”, een vreemde film van deze kunstenaar, waarin op een geïsoleerd voorwerp – een metalen stylostukje – gefocust wordt, en dat zodanig wordt uitvergroot dat er een innerlijke wereld ontstaat, die vaak een verbluffende gelijkenis oproept met bepaalde woestijnlandschappen van Mongolië en elders; alweer een analogie met Murail, die vanuit het innerlijke van instrumentale en vocale klankaspecten, echte melodische werelden creëert. De componist evoceert tevens een bekend fenomeen van de Gobi-woestijn: die van mysterieuze klanken die sterk op stemmen gelijken, en vermoedelijk veroorzaakt worden door de wrijving van zandkorrels die de wind tegen elkaar aan schuurt. Ook in deze compositie “zingt de woestijn”, zoals de Mongolen het vaak over de Gobi-woestijn zeggen.

Maandag 14 maart 2005
20.00u
deSingel (Blauwe Zaal)

 

Vorige uitvoeringen

Geen vorige uitvoeringen