Atlantic Wall

Atlantic Wall is rots, is aarde. De kust van West-Europa is bezaaid met achtergelaten oorlogsarchitectuur, streng uitkijkend op de Atlantische oceaan. De honderden bunkers hebben geen functie meer, geen bestemming. Zijn verlaten, worden niet afgebroken of opgeruimd; ze worden genegeerd. Ze doen denken aan prehistorische hunebedden en dolmens. We zijn vergeten waarvoor deze dienden. We vermoeden dat het grafkamers waren, vaak vinden we sporen van vuur terug. Vaak vinden we er ook wapens begraven. We zijn geneigd er een vage religieuze betekenis aan toe te schrijven. Van de bunkers weten we nog waarvoor ze gediend hebben, maar in de collectieve veronachtzaming van de bouwwerken lijkt het alsof we wachten tot we de betekenis vergeten zijn. Alsof we wachten op de mystiek.

Atlantic Wall is de golven en de zee, is water. Is het ritmisch en nooit aflatend inbeuken van een kolkende massa op de kust, en op de blik van een toeschouwer die verplicht werd de zee te bewaken. Een toeschouwer die intrad als in een religieuze orde, en er een strenge regel opgelegd kreeg. De monnik stond onderaan een strenge hiërarchie, kreeg een strikt dieet en een dagelijkse zware taak te vervullen. De vijand was duidelijk omschreven: de duivel, het ego, de geallieerden.

Atlantic Wall is de lucht. Is ontelbare kleurenschakeringen, de dag en de nacht, de zon en de haar dagelijkse ondergang in de zee. Is licht dat pijn doet aan de ogen, en duizenden schakeringen van nachtelijke duisternis zwevend op een ritmisch bewegend oceaantapijt.

Atlantic Wall is vuur. Een innerlijk vuur van een waarnemer die jaren lang de elementen trotseert om de wacht te houden bij de horizon. Is wat er met je zou kunnen gebeuren als je jaren lang, dag in dag uit, door weer en wind, mediteert op een opalen watermassa. Het vuur brandt in de geest van de waarnemer, en weerklinkt in de muziek. Atlantic Wall is een lyrisch gedicht over de vrijheid van de elementen, waargenomen vanuit een betonnen gevangenis.